Geschiedenis van de provincie Antwerpen

De provincie Antwerpen heeft een boeiend verleden. De provinciale instellingen in hun huidige vorm dateren van 1836, toen de provinciewet van kracht werd. Maar ook voor die datum bestonden er gelijkaardige beleidsstructuren. Bovendien zijn de provincies verder geëvolueerd sinds 1836. Daarbij heeft de provincie Antwerpen eigen krachtlijnen ontwikkeld binnen de veranderende juridische krijtlijnen. Een finale overzichtsstudie van het Antwerpse provinciale beleid of de provinciale instellingen ontbreekt echter. In wat volgt worden korte smaakmakers aangeboden over de geschiedenis van de provincies en de bijzonderheden van Antwerpen inzake beleidsopties, politieke verhoudingen, territorium, provinciehuis, enz.

    Het eerste punt behandelt de voorgeschiedenis van de Antwerpse politieke instellingen. In het Ancien Régime bestond er geen bestuurlijk-administratieve indeling die overeenkwam met de huidige provincie Antwerpen. De creatie van het departement van de Twee Neten (1795) onder het Frans bewind bracht daar verandering in. Een tweede punt duidt het juridisch kader van de Belgische provincies sinds de onafhankelijkheid. De Belgische grondwet van 1831 en de provinciewet van 1836 bepaalden de juridische krijtlijnen van de provincies, die slechts in beperkte mate en traag evolueerden.

    Het derde punt focust op de federalisering van de Belgische staat en de gevolgen daarvan voor de provincies. Niet alleen veranderde de provinciale voogdij- en regelgevende overheid, maar er kwam ook een inhoudelijk debat op gang over de toekomst en de taakomschrijving van de provincies. Het laatste punt gaat kort in op de interne politieke en beleidsmatige evolutie van de provincie Antwerpen sinds 1830.

    1. Voorgeschiedenis

    a. Ancien Régime

    Sinds het Verdrag van Verdun van 843 vormde de Schelde de grens tussen het latere Frankrijk en het Duitse Rijk. Keizer Otto II richtte omstreeks 980 het markgraafschap Antwerpen op om de westgrens van zijn rijk te beveiligen. De Leuvense graven, de latere hertogen van Brabant, verwierven in 1106 het markgraafschap Antwerpen. Het bleef deel uitmaken van het hertogdom Brabant tot het einde van het Ancien Régime. Het territorium van de huidige provincie Antwerpen lag niet volledig in het hertogdom Brabant. Mechelen vormde een enclave binnen het hertogdom Brabant en werd in 1490 tot graafschap verheven. Het Land van Bornem behoorde dan weer tot het graafschap Vlaanderen.

    Tijdens de Middeleeuwen ontwikkelden zich in alle gewesten representatieve statenvergaderingen, die (een beperkt deel van) het "volk" vertegenwoordigden bij de vorst. Zij waren samengesteld uit adel, geestelijkheid en vertegenwoordigers van de steden. Hun voornaamste bevoegdheid was het goedkeuren van de "beden" of vorstelijke belastingen. Vanaf ongeveer 1565 ontstond in de schoot van de Staten van Brabant een "permanente deputatie", die instond voor het dagelijks beleid binnen het hertogdom en eigen initiatieven kon ontwikkelen bv. inzake infrastructuurwerken.

    Jozef II kondigde op 12 maart 1787 een edict af dat het grondgebied van de Oostenrijkse Nederlanden indeelde in negen "kreitsen" of kringen. De administratie en het bestuur zouden doorzichtiger, rationeler en functioneler worden. Bovendien zou de macht van de centrale overheid zich versterken doordat de "kreitsen" bestuurd werden door intendanten. Het edict richtte een "kreits" Antwerpen op, die niet enkel het markgraafschap Antwerpen, maar ook het graafschap Mechelen omvatte. De "kreits" Antwerpen werd op zijn beurt ingedeeld in drie arrondissementen met als hoofdplaatsen Antwerpen, Mechelen en Turnhout. Grote conservatieve tegenstand zorgde er echter voor dat reeds in mei 1787 de Jozefistische hervormingsplannen werden geschrapt, wat een kort herstel van de oude toestand inluidde.

    b. Franse Tijd

    De tweede Franse bezetting (vanaf 1794) was een breukmoment in de geschiedenis. Al de oude instellingen, wetgeving en recht werden opgeheven en drastische hervormingen doorgevoerd. Te samen met de annexatie bij Frankrijk op 1 oktober 1795 werd een nieuwe gebiedsindeling in negen departementen van kracht, waarvan de territoriale grenzen tot op vandaag ongeveer overeenstemmen met de provinciegrenzen. De departementen vervingen alle vroegere feodale of heerlijke indelingen. Elk departement werd ongeveer even groot uitgetekend en de namen werden ontleend aan geografische elementen zoals rivieren en bergen.

    Het oude hertogdom Brabant werd opgesplitst in een departement van de Dijle en een departement van de Twee Neten met respectievelijk Brussel en Antwerpen als hoofdplaatsen. Het Land van Bornem werd ondanks plaatselijke protesten bij Twee Neten ingedeeld.

    wet der vereniging
    Redevoering van J.H. Matthey ter gelegenheid van de aanhechting van het "Belgenland" bij de Franse Republiek.

    Onder het Directoire (1795-1799) had elk departement een college van vijf beheerders, een centraal bestuur, waarvan de leden getrapt en censitair werden verkozen. Het centraal bestuur verkoos elk jaar een voorzitter, maar de eigenlijke macht lag in handen van een door Parijs benoemde regeringscommissaris.

    Na de staatsgreep van Napoleon Bonaparte werd op 13 december 1799 een nieuwe grondwet van kracht. Per departement werd nu een algemene raad ingesteld, die jaarlijks vergaderde en een beperkte fiscale bevoegdheid had. De leden werden aangeduid door Napoleon uit een lijst van departementale notabelen die vanaf 1802 na getrapte verkiezingen was opgemaakt. Daarnaast benoemde Napoleon in elk departement ook een kleine prefectorale raad, die dagelijks vergaderde onder leiding van de prefect. De algemene raad en prefectorale raad waren onmachtig in vergelijking met de prefect. Hij was de spilfiguur, werd eveneens door Napoleon benoemd en had verregaande bevoegdheden. De prefecten waren alleen verantwoording verschuldigd aan het staatshoofd en bleken diens instrumenten in de uitbouw van een volkomen centralistische staatsstructuur.

    kaart departement
    Kaart van het Departement van de Twee Neten
    in het jaar VIII.

    c. Nederlandse Tijd

    Na de Franse nederlaag werden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden verenigd onder koning Willem I. Willem I herdoopte de departementen in provincies en gaf ze deels hun oude namen terug zonder evenwel territoriale wijzigingen door te voeren. Het departement van de Twee Neten herdoopte Willem I in de provincie Antwerpen. Hij richtte ook nieuwe instellingen om de provincies te besturen.

    De provinciale staten werden samengesteld uit drie standen: adel, steden en platteland. In de provincie Antwerpen behoorden 15 leden tot de adel verkozen door de edelen van de provincie, 24 werden er verkozen door de stedelijke gemeenteraden en 21 plattelandsvertegenwoordigers werden door een getrapt en censitair kiesssysteem aangeduid. De provinciale staten vergaderden tenminste ťťn maal per jaar, stelden een begroting op en verkozen ook een aantal leden van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal. De gedeputeerde staten stonden in voor het dagelijks bestuur van de provincie en werden verkozen door de provinciale staten. Het voorzitterschap van provinciale en gedeputeerde staten kwam toe aan een door Willem I benoemde gouverneur. Hij beschikte als vertegenwoordiger van de centrale overheid over zeer ruime bevoegdheden.

    2. Een evoluerend juridisch kader

    a. Grondwet en provinciewet

    De grondwet van het onafhankelijke BelgiŽ verdeelde het grondgebied in negen provincies. Verkozen provincieraden zouden instaan voor alle aangelegenheden van "provinciaal belang". Zij hadden het recht daarvoor eigen belastingen te innen. Wel werd voorzien dat de hogere overheid bij bevoegdheidsoverschrijdingen kon interveniŽren. Verder werd de openbaarheid bepaald van provincieraadsvergaderingen, de begrotingen en de rekeningen.

    De provinciewet van 1836 werkte de algemene grondwetsbepalingen verder uit en creŽerde de tot vandaag bestaande provinciale instellingen, provincieraad, bestendige deputatie, gouverneur en griffier.

    De provincieraad werd verkozen voor vier jaar door cijnskiezers. Provincieraadsleden mochten in tegenstelling tot gemeenteraadsleden geen lid zijn van Kamer of Senaat. Slechts ťťn maal per jaar kwam de raad gedurende vijftien dagen in gewone zitting bijeen. De provincieraad besliste enerzijds over bevoegdheden van algemeen belang bepaald bij wet of besluit (bv. het voorstellen van kandidaat-raadsheren hoven van beroep, de voogdij over plaatselijke besturen, het onderhoud van assisenhoven en kathedralen, enz.). Anderzijds besliste de raad autonoom over eigen initiatieven van provinciaal belang, waarbij in bepaalde gevallen wel de goedkeuring van de Koning vereist was.

    De zes leden van de bestendige deputatie werden verkozen door de provincieraad voor vier jaar. Zij functioneerden als dagelijks bestuur van de provincie. Zij hadden daarnaast bevoegdheden van algemeen belang, opgelegd door de centrale overheid, bv. in verband met het bestuurlijk toezicht op gemeenten en kerkfabrieken, bestuurlijke politie-opdrachten, het beheer van waterlopen enz. Ten slotte zetelde de deputatie soms als rechtscollege o.m. bij betwistingen in verband met belastingen of i.v.m. de geldigheid van gemeenteraadsverkiezingen.

    De gouverneur was de sleutelfiguur. Benoemd door de Koning, was hij de controlerende en rapporterende vertegenwoordiger van het centrale niveau. Hij was stemgerechtigd voorzitter van de bestendige deputatie, opende en sloot de zittijden van de provincieraad. Daarin mocht hij steeds het woord nemen en eigenmachtig zaken ter stemming voorleggen. Hij stond in voor het vooronderzoek en de uitvoering van alle kwesties die voorgelegd werden aan deputatie of raad. Hij was verplicht schorsend beroep bij de Koning aan te tekenen wanneer de bestendige deputatie of de provincieraad hun bevoegdheden te buiten gingen.

    De provinciegriffier werd benoemd door de Koning op voorstel van de bestendige deputatie. Hij leidde de provinciale administratie en woonde als secretaris de vergaderingen van provincieraad en bestendige deputatie bij.

    De provinciewet gunde de provincies niet veel vrijheid. Ze werden vooral uitgedacht om enkel zuivere administratief-provinciale belangen te behartigen. Een eventuele herleving van het oude provinciale particularisme werd op die manier verhinderd. De beperking van de zittijd van de provincieraadsleden, de beperkte bevoegdheden, de strenge regels in verband met onverenigbaarheden en vooral de sterke machtspositie van de centraal benoemde gouverneur maakten dat de provincies strak aan de centralistische leiband werden gehouden.

    provinciewet 1836
    De provinciewet van 1836 in een toenmalige officieuze Nederlandse vertaling gepubliceerd door de
    provincie Antwerpen.

    b. Evolutie

    Doorheen de tijd werd regelmatig gesleuteld aan de onderlinge verhoudingen tussen de instellingen. Enkele belangrijke verfijningen worden hier kort aangestipt.

    De wet van 30 december 1887 bracht een nieuw evenwicht tot stand tussen de bestendige deputatie en de gouverneur, nadat de schoolstrijd (1879-1884) dit grondig had verstoord. De liberale schoolwet van 1879 verplichtte de provincies subsidies te verlenen aan openbare neutrale scholen. De katholieke deputaties weigerden dit, wat hen in conflict bracht met de liberale gouverneurs. De liberale regering reageerde in 1882 met een wetsontwerp om de macht van de gouverneur fors uit te breiden. Hij mocht wetten en besluiten laten uitvoeren zelfs als de bestendige deputatie weigerde. Een katholiek tegenvoorstel wou de macht van de bestendige deputatie verhogen door hen het vooronderzoek en de uitvoering van alle beslissingen toe te vertrouwen.

    Pas in 1887 werd een nieuwe wet gestemd, die een compromis inhield. De bestendige deputatie kreeg een evocatierecht, waardoor zij het vooronderzoek en de uitvoering van beslissingen van provinciaal belang door raad en deputatie naar zich kon trekken mits omstandige en openbare motivatie. De provincies werden nu erkend als zelfstandige politieke lichamen en braken geleidelijk uit hun louter administratieve functie.

    De grondwetsherziening van 1893 schafte het cijnskiesrecht af en voerde het algemeen meervoudig stemrecht in ook bij de provincieraadsverkiezingen. De provincieraden kregen bovendien het recht een aantal senatoren te verkiezen. Deze "provinciale senatoren" bleven bestaan tot in 1995. In 1898 werd de democratisering getemperd door de verkiezingen, de kiesvoorwaarden en de ambtstermijn van de provincieraad te koppelen aan die van de Senaat. De ambtstermijn bedroeg tussen 1898 en 1921 maar liefst acht jaar! In 1899 werd de evenredige vertegenwoordiging wel geïntroduceerd voor Kamer en Senaat, maar niet voor de provincieraden.

    Na de Eerste Wereldoorlog brak de democratisering voorgoed door. In 1921 werd het algemeen enkelvoudig stemrecht volgens het principe één man één stem ingevoerd. De evenredige vertegenwoordiging werd nu ook bij de provincieraadsverkiezingen van kracht. De provinciale verkiezingen vonden opnieuw om de vier jaar plaats, in de praktijk volgens het ritme van de wetgevende verkiezingen.

    In 1984 kreeg de provincieraad de mogelijkheid te vergaderen wanneer zij dat wilde. De jaarlijkse beperkte gewone zittijd behoorde daarmee tot het verleden. Tegelijkertijd viel de koninklijke goedkeuring van de provincieraadsbeslissingen bijna volledig weg. De wet van 6 juli 1987 verfijnde verder het evenwicht tussen gouverneur en bestendige deputatie. De bestendige deputatie stond nu in voor het vooronderzoek en de uitvoering van beslissingen van provinciaal belang, op een kleine restbevoegdheid van de gouverneur na. De gouverneur diende minder als waakhond van het centrale niveau te fungeren, maar moest zich meer en meer toeleggen op zijn eigen uitgebreide bevoegdheden vooral inzake veiligheid en het toezicht op de gemeenten. De provincieraden kregen in 1987 ook het recht de provinciegriffier te benoemen en te ontslaan. In 1997 ten slotte verloor de gouverneur zijn stemrecht in de deputatie, behalve als deze zetelde als rechtscollege.

    3. Federalisering en toekomstdebat

    De opeenvolgende staatshervormingen sinds de jaren 1970 hebben belangrijke gevolgen gehad voor de provincies. Samen met de discussies over de staatshervorming opende er een debat over de toekomst van het provinciale bestuursniveau. Dergelijke discussies waren trouwens reeds in het interbellum gevoerd. Midden en eind jaren 1970 werd hardop de vraag gesteld of de provincies nog wel nodig waren in een geregionaliseerd België. In het Egmontpact van 1977 werd zelfs principieel beslist de provincies af te schaffen. De provincies zouden enkel als administratieve eenheden zonder provincieraden of bestendige deputaties blijven bestaan. De mislukking van het Egmontpact bracht even soelaas, maar in 1980 volgde een nieuwe klap. De provinciale fiscale autonomie, het recht eigen belastingen te heffen, zou vanaf 1 januari 1982 worden opgeheven. Uiteindelijk gebeurde dat niet maar het debat over de toekomst en het takenpakket van de provincies was daarmee niet ten einde.

    Tussen 1980 en 1994 kregen de gewesten meer bevoegdheden inzake de provincies. Het administratief toezicht op de provinciebesturen verhuisde in verschillende stappen van het nationale naar het gewestelijke niveau. De gouverneur vertegenwoordigde niet enkel de nationale regering of federale regering maar ook de Vlaamse regering. De Vlaamse regering zag weinig heil in de provincies. In het toekomstproject "Vlaanderen-Europa 2002" (1992) werd ronduit gesteld dat het provinciale niveau overbodig zou worden. De belangrijkste beleidsniveaus waren de deelstaat en de gemeenten.

    De provincies boden weerwerk onder impuls van de Vereniging van Vlaamse Provincies. Het lijkt er vandaag op dat de afschaffing van de provincies van de baan is. In de recent gesloten Lambermontakkoorden (van kracht sinds 1 januari 2002) werd de provinciewet overgedragen aan de gewesten. Het vooruitzicht van een Vlaamse organieke regelgeving over de provincies maakt dat de discussies over de vorm en inhoud van het provinciale niveau voortduren. Het zogenaamde kerntakendebat, welke taken moeten door welke overheid worden uitgeoefend, is volop aan de gang.

    4. Politieke ontwikkeling

    a. Territorium en bevolking

    Het territorium van de provincie Antwerpen is sinds de Franse tijd weinig veranderd, wel steeg de bevolking de laatste twee eeuwen fors.

      Bevolking prov. Antw.
    1836 360.180
    1900 819.159
    1999 1.610.966

    De belangrijkste en meest brutale grenswijziging vond plaats in 1923 toen een gedeelte van de provincie Oost-Vlaanderen, de gemeenten Zwijndrecht en Burcht, overgeheveld werd naar de provincie Antwerpen. De gemeentelijke fusieoperatie in 1977 voegde de Brabantse gemeente Muizen bij de provincie Antwerpen. De fusies van 1977 en 1983 (stad Antwerpen) brachten het aantal gemeenten terug tot zeventig.

      Gemeenten prov. Antw.
    1830 142
    1928 154
    1965 147
    1971 144
    1984 70

    b. Tot aan de Eerste Wereldoorlog

    In een eerste periode na 1836 bleven de partijpolitieke spanningen binnen de Antwerpse provincieraad beperkt. Katholieken en liberalen werkten samen in provincieraad en bestendige deputatie. Beslissingen werden vaak unaniem gestemd, politieke kwesties werden nauwelijks besproken. Provincieraadsleden en bestendig afgevaardigden schikten zich naar de administratieve opvatting van de provincies. Dit gaf de kans aan de gouverneurs om op de voorgrond te treden.

    Charles Rogier, gouverneur van 1831 tot 1832 en van 1834 tot 1840, zette de toon. Hij hield de touwtjes in de eerste provincieraadsdebatten stevig in handen. Onder zijn impuls werd de wegen- en riviereninfrastructuur verbeterd. Ook de aanleg van spoorwegen werd ruim door de provincie gesubsidieerd. De aandacht voor verkeer en infrastructuur bleef tot in de twintigste eeuw steeds een provinciaal aandachtspunt door bv. de aanleg van kanalen, buurttrams en de uitbouw van Antwerpen tot wereldhaven.

    Charles Rogier
    Charles Rogier (1800-1885) liberaal staatsman en gouverneur van de provincie Antwerpen (1831-1832 en
    1834-1840).

    De gemoederen in de provincieraad raakten verhit door de Antwerpse fortenkwestie in de jaren 1860. Het verzet tegen de plannen om de stad Antwerpen om te bouwen tot nationale vesting en het waardeverlies van gronden belast met militaire erfdienstbaarheden, brachten een brede coalitie van progressieve katholieken en liberalen op de been. Zij verenigden zich in de Meetingpartij, die gedurende jaren de Antwerpse politiek zou beheersen en een antimilitaristisch, progressief en Vlaamsgezind programma verdedigde. Na verloop van tijd werd de Meetingpartij meer en meer de naam van de plaatselijke Antwerpse katholieke partij. De vertegenwoordigers van de Meetingpartij verdedigden in de provincieraad krachtig de vernederlandsing van het provinciebestuur. Vanaf 1863 werd inderdaad meer en meer "Vlaams" gesproken in de zittingen, een evolutie die zich doorzette tot in de jaren 1920 het Frans volledig verdween.

    Charles Rogier
    De Meetingpartij bestuurde tien jaar de stad Antwerpen en stuurde veertig jaar de Antwerpse afvaardiging naar het parlement. Ook in de provincieraad hadden zij vertegenwoordigers.

    Ondanks de aanwezigheid van de metropool Antwerpen bleef de rest van de provincie een agrarische streek. Dat had ook politieke gevolgen. De katholieken werden heer en meester op het platteland, terwijl de liberalen enkel sterk stonden in Antwerpen en kleinere kernen hadden in de andere steden zoals Mechelen en Turnhout. Vanaf de jaren 1860 was er een duidelijke katholieke meerderheid in raad en deputatie en vanaf 1869 zetelden er enkel nog katholieken in de bestendige deputatie. De liberalen uit Antwerpen-stad uitten vaak hun ongenoegen over het feit dat de katholieke bestendige deputatie al te weinig de commerciŽle en industriŽle belangen van Antwerpen aan bod liet komen.

    Liberale vlag Antwerpen
    De liberale partij bleef vooral sterk staan in de stad Antwerpen. Het kanton Antwerpen-stad stuurde tot in 1914 enkel liberalen naar de provincieraad, op een korte onderbreking tussen 1884 en 1888 en twee socialisten in 1912 na.

    De provincie hield zich inderdaad niet rechtstreeks bezig met handel en nijverheid, maar werkte veeleer aanvullend. Ook in de domeinen landbouw, onderwijs en volksgezondheid werden vooral subsidies verleend aan bestaande instellingen en initiatieven. Zo konden nijverheids- en beroepsscholen, landbouwverenigingen, liefdadigheidsinstellingen en gezondheidscommissies rekenen op provinciale toelagen.

    De tegenstellingen tussen liberalen en katholieken werden groter doorheen de negentiende eeuw, ook in de provincieraad. Vooral vanaf de schoolstrijd (1879-1884) botsten beide strekkingen verbaal regelmatig, wat niet belette dat doorgaans de begrotingen unaniem gestemd werden. Bovendien was er geen partijtucht zodat de grenzen tussen meerderheid en oppositie niet eenduidig waren.

    Socialistische havenbarbeiders
    De eerste socialisten deden hun intrede in de provincieraad in 1912, na de Eerste Wereldoorlog volgde dan de definitieve politieke doorbraak op het provinciale niveau. Hier een affiche van de Antwerpse socialistische havenarbeiders.

    b. Vanaf de Eerste Wereldoorlog

    Na de Eerste Wereldoorlog veranderde de politieke constellatie in de Antwerpse provincieraad grondig door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht en vooral de evenredige vertegenwoordiging. Naast katholieken en liberalen werden nu ook socialisten, liberalen en Vlaams-nationalisten verkozen in de raad, wat aanleiding gaf tot versnippering en verhevigde politieke strijd. De katholieke partij had bovendien af te rekenen met verdeeldheid in eigen rangen. Het interbellum werd politiek gezien een zeer woelige periode.

    In 1921 drongen de socialisten aan op een evenredige vertegenwoordiging van de partijen in de bestendige deputatie. Katholieken en liberalen vormden echter samen een coalitie. In 1925 besloten katholieken, socialisten en liberalen wel samen te gaan in de bestendige deputatie. De verkiezingen van 1929 veranderde niets aan deze situatie. In 1932 strandden de katholieken op drie zetels van de absolute meerderheid na een hevige kiesstrijd met een scherpe polarisering tussen de katholieken enerzijds en de liberalen en socialisten anderzijds.

    Dankzij de steun van de Vlaams-nationalistische Frontpartij werd in 1932 opnieuw voor even een homogeen katholieke deputatie verkozen, waarin later twee katholieken werden vervangen door vertegenwoordigers van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV). Deze coalitie bleef ondanks een nipte meerderheid aan de macht tot bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Na 1936 kon de meerderheid echter enkel overleven met de hulp van de vier rexisten in de raad.

    Katholieke verkiezingsaffiche voor de provincieraadsverkiezingen van 1932
    Katholieke verkiezingsaffiche voor de provincieraadsverkiezingen van 1932

    Na de Tweede Wereldoorlog werd een evenredig samengestelde bestendige deputatie gevormd met katholieken, socialisten en liberalen. De CVP won de eerste naoorlogse verkiezingen in 1946 en behaalde de absolute meerderheid. Verder waren enkel liberalen, socialisten en communisten vertegenwoordigd in de raad. Een lange periode van stabiliteit werd ingezet. De absolute meerderheid van de CVP ging pas verloren bij de verkiezingen van 1965, maar ook nadien bleef deze partij steeds de grootste. Een coalitie van CVP en PVV kwam tot stand, maar die verloor bij de verkiezingen van 1968 al haar meerderheid. Een rooms-rode bestendige deputatie bestuurde daarop tot aan de verkiezingen van 1991 de provincie. Na 1991 zetelden de drie traditionele partijen opnieuw samen in de bestendige deputatie. Vandaag zijn zes partijen vertegenwoordigd in de provincieraad: CD&V (oud-CVP), VLD (oud-PVV), Vlaams Blok, SP.A (oud-(B)SP), AGALEV en VU-ID.

    Na de Eerste Wereldoorlog tot nu werden de provinciale beleidsterreinen fors uitgebreid. De provincie Antwerpen zorgde met de oprichting van de Provinciale Elektriciteitsdienst (1921) voor de elektrificatie van de hele provincie, ook van de meer afgelegen gemeenten. De Provinciale en Intercommunale Drinkwatermaatschappij van de Provincie Antwerpen (PIDPA, 1913) deed gelijkaardige inspanningen inzake waterbedeling, rioleringswerken en waterzuivering. Qua onderwijs legde de provincie zich vooral toe op het technisch en beroepsonderwijs, waarvan uitrusting en gebouwen grotere investeringen vereisten. Soms werden bestaande vrije initiatieven omwille van de hoge kostprijs door het provinciebestuur overgenomen zoals het instituut voor tuinbouwonderwijs te Mechelen. Het provinciale gezondheidsbeleid kon vanaf de jaren dertig op veel belangstelling rekenen door de uitbouw van het Provinciaal Gezondheidsgesticht, het huidige Provinciaal Instituut voor Hygiëne.

    Tentoonstelling De Mensch
    Opening van een tentoonstelling over "De Mensch" in het Provinciaal Gezondheidsgesticht. Aanwezige prominenten waren vlnr dr. Demoor, bestendig afgevaardigde Constant Clerckx, gouverneur Georges Holvoet, pater Rutten, bestendig afgevaardigde Arseen Kennes en Antwerps burgemeester Camille Huysmans.

    In de twintigste eeuw trad de provincie actiever op ten voordele van handel en industrie. Gouverneurs bemiddelden in sociale conflicten, de provincie promootte bedrijfsinvesteringen en werkte nauw samen met de Economische Raad Antwerpen (ERA, 1956-1975) en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) Antwerpen (1975-). Veel aandacht ging uit naar de Antwerpse haven en de diamantsector, traditionele pijlers van de Anwerpse industrie. De aanleg van autosnelwegen (A12, E19, E313) zorgde voor een verdere economische ontsluiting. Naast de oude industriële as Antwerpen-Boom-Mechelen ontwikkelde zich ook langs het Albertkanaal (1935) en de nieuwe autosnelwegen een bijkomende industriële as. Deze werd nog versterkt door het bouwen van nieuwe industrieterreinen vanaf de jaren zestig die vooral in de Kempen werkgelegenheid moesten verschaffen.

    De provincie steunde ook krachtig kunst, cultuur en het sociaal-cultureel vormingswerk. De provinciale musea zijn een begrip in Antwerpen en daarbuiten zoals het Provinciaal Museum voor Fotografie, het Modemuseum, het Museum Sterckxhof, het Diamantmuseum of het Suske en Wiske-Kindermuseum. Sport en ontspanning vinden vele Antwerpenaren in de provinciale recreatie- en groendomeinen. Het milieu en ontwikkelingssamenwerking vormen dan weer relatief nieuwe accenten in het provinciale beleid. Waar in de negentiende eeuw slechts beperkt steun werd gegeven aan liefdadige instellingen of maatschappijen van onderlinge bijstand, werd er vooral sinds de Tweede Wereldoorlog een echt sociaal beleid op poten gezet. Antwerpen legde eigen accenten door bv. de inspanningen voor de sociale volkshuisvesting, veiligheid (Provinciaal Veiligheidsinstituut) en gehandicaptenzorg.

    Gebouw van de PIDPA
    Zetel van de PIDPA in Antwerpen

    5. De instellingen

    De Belgische provincies staan als bestuursniveau tussen aan de ene kant de federale overheid en de gewesten en aan de andere kant de gemeenten. De grondwet van 1831 en de provinciewet van 1836 creëerden de vier traditionele provinciale beleidsorganen: de provincieraad, de bestendige deputatie, de gouverneur en de provinciegriffier. Hun onderlinge verhoudingen, organisatorische vorm en bevoegdheden zijn doorheen de tijd regelmatig gewijzigd.

    Vandaag telt de Antwerpse provincieraad 84 leden die voor een periode van zes jaar verkozen worden. De laatste keer gebeurde dat op 8 oktober 2000. De provincieraad stippelt het provinciaal beleid uit en vergadert daartoe minstens één keer per maand.

    foto huidige provincieraad
    De provincieraad van Antwerpen in zitting bijeen

    De provincieraad kiest uit haar midden zes bestendig afgevaardigden die belast zijn met de uitvoering en voorbereiding van haar beslissingen. De bestendige deputatie krijgt daarnaast een aantal specifieke taken opgelegd bij wet of decreet en treedt soms op als administratief rechtscollege, bv. bij het geldig verklaren van gemeenteraadsverkiezingen.
    De gouverneur en de griffier zetelen in de bestendige deputatie respectievelijk als voorzitter en secretaris. Beiden zijn in regel niet stemgerechtigd.

    foto huidige bestendige deputatie
    De bestendige deputatie van de provincie Antwerpen.
    In wijzerzin: Martine De Graef, Marc Wellens, Ludo Helsen, gouverneur Camille Paulus,
    Jos Geuens, Corry Masson, Frank Geudens en provinciegriffier Danny Toelen

    De provinciegouverneur is de commissaris van de federale en de Vlaamse regering in de provincie. Na de recente Lambermontakkoorden zal hij niet langer benoemd worden door de Koning, maar door de Vlaamse regering na eensluidend advies van de federale Ministerraad. Hij is voorzitter van de bestendige deputatie en kan de vergaderingen van de provincieraad bijwonen. Namens het federale niveau coördineert hij alles wat te maken heeft met veiligheid binnen de provincie. Namens het gewestelijke niveau houdt hij vooral toezicht op de gemeenten. Sinds 1 oktober 1993 is Camille Paulus de 17de gouverneur van de provincie Antwerpen.

    De provinciegriffier wordt benoemd door de provincieraad. Hij woont de vergaderingen van provincieraad en bestendige deputatie bij als secretaris. Hij is de hoogste ambtenaar binnen de provinciale administratie en fungeert zo ook als schakel tussen politici en administratie. Op 22 februari 2001 werd Danny Toelen, toen reeds waarnemend provinciegriffier, in deze functie verkozen door de provincieraad.

    Meer informatie over de werking en bevoegdheden van de Antwerpse provinciale instellingen is te vinden op de website van de provincie Antwerpen: http://www.provant.be.

    6. Het provinciehuis

    Eén van de provinciale symbolen bij uitstek is het provinciehuis, zetel van de verscheidene provinciale instellingen en diensten. Gedurende anderhalve eeuw lang bevond het zenuwcentrum van het provinciebestuur zich in het provinciaal gouvernementshotel aan de Schoenmarkt te Antwerpen. In 1980 werd dit gebouw definitief verlaten voor het nieuwe provinciehuis aan de Koningin Elisabethlei.

    Het gebouw aan de Schoenmarkt heeft een lange en rijke geschiedenis. Op deze plaats bevond zich in de middeleeuwen een verblijf of toevluchtsoord voor de monniken uit de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem. Het refugium werd omgevormd tot bisschoppelijk paleis voor de bisschoppen van Antwerpen sinds 1570. Aan het einde van de achttiende eeuw werden de bestaande gebouwen vervangen en verbouwd in ongeveer de huidige vorm.

    Bisschoppelijk Paleis aan de Schoenmarkt
    Het bisschoppelijk paleis in 1993, na een grondige restauratie.

    Na de Franse inval werd het bisschoppelijk paleis gebruikt als residentie van het centraal bestuur van het departement van de Twee Neten (1795-1798) en daarna als prefectuur met woonst voor de prefect (1800-1814). Tussen 1815 en 1830 nam de Antwerpse provinciegouverneur van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden er zijn intrek. In deze periode werd er ook een vergaderzaal voor de provinciale staten en lokalen voor de provinciale administratie bijgebouwd. In 1830 vestigde de eerste Belgische gouverneur François de Robiano zich aan de Schoenmarkt. In 1851-1852 werd een brandvrij archiefdepot met een revolutionair ijzeren binnenskelet toegevoegd.

    binnenskelet provinciaal archiefgebouw
    Een kijk op het binnenskelet in gietijzer van het provinciaal archiefgebouw.

    De provincieraad heeft sinds 1836 in verscheidene zalen van het gouvernementshotel vergaderd. Plaatsgebrek noodzaakte het bouwen van een nieuwe raadzaal in 1877-1878. Daartoe werden de voormalige kapel, oranjerie en de oude vergaderzaal van de provinciale staten afgebroken. Provinciaal architect Eugeen Gife ontwierp het gebouw, het meubilair en de verlichting. De banken van de raadsleden en de voorzitterstribune waren gebaseerd op het meubilair van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De tribune van de gouverneur werd trouwens gerecupereerd uit het gestoelte van de Kamer van 1831. Decoratieve schilderwerken vervolledigden het geheel. De wapenschilden van de provincie, arrondissementen en kantons werden aangebracht op zoldering en muren.

    Ontwerp van Eugeen Gife voor de provincieraadzaal
    Ontwerp van Eugeen Gife voor de provincieraadzaal.

    Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gouvernementshotel bezet door de Duitse troepen. De krijgsgouverneur resideerde in het gebouw en het militair gerechtshof bezette de provincieraadzaal. Een bronzen gedenkplaat herdenkt de ter dood veroordeelde landgenoten in de raadzaal. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep het gouvernementshotel zware schade op door een inslag van een V2-bom. De meeste provinciale diensten verhuisden naar herenhuizen aan de Koningin Elisabethzaal. Uiteindelijk was enkel de raadzaal nog in gebruik. Het complex werd na 1980 overgedragen aan de Regie der Gebouwen, maar later door de provincie teruggekocht. Na restauratie kreeg het twee nieuwe bestemmingen. De provincieraadzaal met bijhorende zalen werd omgedoopt tot het Bernarduscentrum, waar het Infopunt Europa van de provincie Antwerpen onderdak kreeg. Het Infopunt Europa organiseert geleide bezoeken, cursussen, voordrachten, studiedagen en congressen en biedt ook vergaderfaciliteiten aan. Het overige gedeelte aan de Schoenmarkt werd weer ter beschikking gesteld van het Bisdom. Twee eeuwen na het vertrek van de laatste Antwerpse bisschop woont vandaag de bisschop met zijn diensten terug in het bisschoppelijk paleis.

    Oude Raadszaal
    De gerestaureerde oude provincieraadzaal.

    Het nieuwe provinciehuis aan de Koningin Elisabethlei is in verscheidene fasen gerealiseerd. De eerste steen werd gelegd in 1966. Op 25 mei 1972 kon de toren met kantoorruimtes in gebruik worden genomen. De toren is 71,5 meter hoog en telt 17 verdiepingen, een gelijkvloers en twee ondergrondse bouwlagen. Vanaf 1974 werd gebouwd aan de twee zijvleugels, die elk een gelijkvloers en twee verdiepingen omvatten. Begin 1980 waren de zijvleugels klaar en verhuisde als laatste de provincieraad van de Schoenmarkt naar de nieuwe gebouwen.

    Huidige provinciehuis
    Een algemeen beeld op het nieuwe provinciehuis.

    In de parkvleugel aan de straatkant hebben de gouverneur, griffier en bestendig afgevaardigden hun burelen en vergaderzalen. Er zijn ook een aantal feestzalen en vergaderzalen ter beschikking voor congressen. De andere zijvleugel bevat de ruime provincieraadzaal en een auditorium. Het provinciehuis is verfraaid met talrijke kunstwerken en het geheel wordt omringd door een tuin.

    Huidige provincieraadszaal
    De provincieraadzaal
Selectieve bibliografie:
De provincie vroeger en nu. Antwerpen. Brussel, 1976.
Keersmaekers, A. Honderdvijftig jaar provincieraad van Antwerpen. Leiding, begeleiding, dienstbaarheid. Antwerpen, 1986.
Negen provincies, één land. 150 jaar provinciewet 1836-1986. Antwerpen. Brussel, 1986.
Vande Lanotte, J. & Haché, D. Geschiedenis van de provinciewet. 4 deelrapporten. Gent, 1990.
Het Bisschoppelijk Paleis te Antwerpen. Geschiedenis en Restauratie. Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen. Antwerpen, 1993.
Van Langendonck, L.; Vermolen, H. & Malliet, A. "Het provinciaal archiefgebouw te Antwerpen". Monumenten en Landschappen, 11 (1992) 1, 20-27.
Het Provinciehuis te Antwerpen. Regie der Gebouwen. Ministerie van Openbare Werken. S.l., s.a.
 

© Project Politiek Personeel Provincie Antwerpen | info@ppant.be | Disclaimer